Eerstvolgende kerkdienst

’De ochtenddienst in de Dorpskerk is ook om 10.00 uur te beluisteren op radio Castricum (FM 105 of kabel FM 104,5) 
Informatie over de eerstvolgende kerkdienst is woensdag of donderdag beschikbaar.

24 februari; 10.00 uur: Ds. Dick van Arkel; mmv. het liturgiekoor

1e collecte; Diaconie
2e collecte; Missionairwerk

De zondagsbrief voor de dienst kan hier worden gedownload indien beschikbaar.

Tekst van de lezingen
Ester 3 en 4
Bevelschrift tegen de Joden

31Na verloop van tijd gaf ​koning​ ​Ahasveros​ een hoge positie aan Haman, de zoon van Hammedata, een nakomeling van Agag: hij plaatste hem boven alle rijksgroten aan zijn hof. 2Alle hoge functionarissen van de ​koning​ die in de Koningspoort waren, vielen telkens voor Haman op de knieën en bogen zich voor hem neer, want zo had de ​koning​ het geboden. Alleen ​Mordechai​ knielde of boog nooit voor hem. 3De functionarissen van de ​koning​ in de Koningspoort spraken ​Mordechai​ daarover aan: ‘Waarom overtreedt u steeds het gebod van de ​koning?’4Dit vroegen ze hem elke dag weer, zonder dat hij zich iets van hun woorden aantrok. Toen lichtten ze Haman erover in, om te zien of ​Mordechai​ in zijn houding zou kunnen volharden; hij had hun namelijk verteld dat hij een ​Jood​ was. 5Toen Haman te weten kwam dat ​Mordechai​ niet voor hem knielde of boog, werd hij woedend, 6en hij besloot ​Mordechai​ uit de weg te ruimen. Maar nadat men hem had verteld uit welk volk ​Mordechai​ stamde, was de dood van ​Mordechai​ alleen hem niet genoeg: vanaf dat moment zon Haman op middelen om alle ​Joden​ in ​Ahasveros’ rijk om te brengen, heel Mordechais volk. 7In de eerste maand van het twaalfde regeringsjaar van ​koning​ ​Ahasveros, de maand ​nisan, liet Haman in zijn persoonlijke aanwezigheid het poer werpen, dat wil zeggen het lot, over alle dagen en over alle maanden, een voor een, tot en met de twaalfde maand, de maand ​adar. 8Daarna zei Haman tegen ​koning​ ​Ahasveros: ‘Er is een bepaald volk dat over alle provincies van uw rijk verspreid leeft en te midden van de andere volken zijn eigen leven leidt. Hun wetten verschillen van die van alle andere volken en aan de wetten van de ​koning​ houden ze zich niet. De ​koning​ is er niet bij gebaat hen maar rustig hun gang te laten gaan. 9Als het de ​koning​ goeddunkt, laat er dan een bevel op schrift worden gesteld dat ze moeten worden uitgeroeid. Dan zal ik tienduizend talent zilver afdragen aan de ambtenaren die de koninklijke schatkist beheren.’ 10De ​koning​ deed zijn ​zegelring​ af en gaf die aan Haman, de zoon van Hammedata, de nakomeling vanAgag, de vijand van de ​Joden. 11‘Over uw zilver kunt u vrij beschikken,’ zei hij tegen Haman, ‘en ook over dat volk: doe ermee wat u het beste lijkt.’ 12Zo werden op de dertiende dag van de eerste maand de ​schrijvers​ van de ​koning​ ontboden. Er werd een bevel op schrift gesteld dat precies zo luidde als Haman het wilde en dat gericht was aan de satrapen die de ​koning​ vertegenwoordigden, aan de gouverneurs van alle provincies en aan de vorsten van alle volken. Voor elke provincie was er een bevel in haar eigen schrift en voor elk volk in zijn eigen taal. Het werd geschreven in naam van ​koning​ ​Ahasveros​ en met de ​zegelring​ van de ​koning​ ​verzegeld. 13En er werden door boden in alle provincies van het koninkrijk brieven verspreid waarin stond dat op één bepaalde dag, en wel op de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand ​adar, alle ​Joden​ moesten worden gedood en volledig uitgeroeid, jong en oud, vrouwen en ​kinderen​ inbegrepen, en dat hun bezittingen mochten worden buitgemaakt. 14In elke provincie moesten afschriften van de brief worden verspreid; de inhoud ervan moest overal als wet worden uitgevaardigd en aan alle volken bekendgemaakt, zodat ze zich tegen de genoemde dag gereed konden houden.15Op bevel van de ​koning​ vertrokken de boden met spoed. Ook in de burcht van Susa werd de wet uitgevaardigd. En terwijl de ​koning​ en Haman rustig zaten te drinken, raakte de stad Susa in rep en roer.

Ester 4
Mordechais beroep op Ester

41Toen ​Mordechai​ vernam wat er was gebeurd, ​scheurde​ hij zijn ​kleren, hulde zich in een ​rouwkleed​ en wierp ​stof​ over zijn hoofd. Zo ging hij de stad door, terwijl hij luid en bitter klaagde. 2Voor de Koningspoort bleef hij staan, want het was niet toegestaan deze in ​rouwkleding​ binnen te gaan. 3In alle provincies heerste onder de ​Joden​ diepe ​rouw​ zodra het bevel en de wet van de ​koning​ er bekend werden: ze ​vastten, huilden en weeklaagden, en velen hulden zich in een ​rouwkleed​ en legden zich neer in het stof.
4Esters dienaressen en de eunuchen die haar dienden, brachten ​Ester​ op de hoogte. De ​koningin​ was hevig geschokt en liet ​Mordechai​ ​kleren​ brengen, opdat hij die zou dragen in plaats van zijn ​rouwkleed. Maar hij wilde ze niet aannemen. 5Toen ontbood ​Ester​ Hatach, een van de eunuchen die de ​koning​ haar als persoonlijke dienaar had gegeven. Ze droeg hem op uit te zoeken wat de reden was van Mordechais gedrag. 6Dus ging Hatach naar ​Mordechai, die op het stadsplein voor de Koningspoort stond. 7Mordechai​ vertelde hem alles wat hem was overkomen. Ook wist hij hem precies mee te delen hoeveel zilver Haman beloofd had te zullen afdragen aan de koninklijke schatkist als hij de ​Joden​ mocht uitroeien. 8Bovendien gaf hij hem een afschrift van de wet die in Susa was uitgevaardigd, waarin stond dat ze moesten worden omgebracht. Dat moest Hatach aan ​Ester​ laten zien om haar op de hoogte te brengen. ‘En,’ zei hij, ‘verzoek haar met klem naar de ​koning​ te gaan. Ze moet hem om ​genade​ smeken en bij hem voor haar volk pleiten.’ 9Hatach ging naar ​Ester​ terug en bracht haar Mordechais woorden over. 10Ester​ droeg Hatach op om ​Mordechai​ het volgende te antwoorden: 11‘Alle dienaren van de ​koning​ en de inwoners van alle provincies van het koninkrijk weten dat er maar één wet geldt voor iedere man of vrouw die zonder ontboden te zijn naar de ​koning​ gaat en in de binnenhof komt: die persoon wordt ter dood gebracht. Alleen degene wie de ​koning​ zijn gouden ​scepter​ toesteekt, brengt het er levend af. Wat mijzelf betreft, ik ben nu al in geen dertig dagen bij de ​koning​ ontboden.’ 12Esters woorden werden aan ​Mordechai​ overgebracht. 13Toen liet ​Mordechai​ het volgende antwoord aan ​Ester​ geven: ‘Beeld je maar niet in dat jij, omdat je in het koninklijk paleis woont, als enige van alle ​Joden​ zult ontkomen. 14Als jij nu je mond niet opendoet, nu het moment daar is, komt er van een andere kant wel uitkomst en redding voor de ​Joden. Maar jij en je vaders ​familie​ komen dan om. Wie weet ben je juist ​koningin​ geworden met het oog op een tijd als deze.’ 15Toen liet ​Ester​ het volgende antwoord aan ​Mordechai​ geven: 16‘Roep alle ​Joden​ die in Susa wonen bij elkaar en vast voor mij: eet niet en drink niet, overdag niet en ’s nachts niet, drie dagen lang. Ook ik zal op die manier ​vasten​ met mijn dienaressen. En na die voorbereiding zal ik naar de ​koning​ gaan, al is dat tegen de wet. Moet ik omkomen, goed, dan zal ik omkomen.’ 17Mordechai​ ging weg en deed wat ​Ester​ hem had opgedragen.

(Nederlands bijbelgenootschap)