Eerstvolgende kerkdienst

’De ochtenddienst in de Dorpskerk is ook om 10.00 uur te beluisteren op radio Castricum (FM 105 of kabel FM 104,5) 
Informatie over de eerstvolgende kerkdienst is woensdag of donderdag beschikbaar.

18 augustus; 10.00 uur: Ds. Suzan ten Heuw; met kinderopvang

1e collecte; Regenboog Amsterdam
2e collecte; Kerkelijk beheer

De zondagsbrief voor de dienst kan hier worden gedownload indien beschikbaar.

Tekst van de lezingen:
2 Koningen 4: 18 - 37
Marcus 1: 29 - 39

18Het ​kind​ groeide op. Op zekere dag, toen hij was gaan kijken bij zijn vader, die met de maaiers op het land was, 19riep hij plotseling uit: ‘Mijn hoofd! Mijn hoofd!’ De vader beval een knecht de jongen naar zijn moeder te brengen. 20De knecht nam hem op en droeg hem naar zijn moeder. Zij hield hem op haar schoot, maar tegen het middaguur stierf hij. 21Toen ging ze naar boven, legde de jongen op het ​bed​ van de ​godsman​ en sloot de deur van het vertrek. Daarna ging ze naar buiten 22en riep tegen haar man: ‘Stuur me een van de knechten met een ezelin! Ik wil zo snel mogelijk naar de ​godsman, maar ik kom direct weer terug.’ 23‘Waarom zou je naar de ​godsman​ gaan?’ vroeg hij. ‘Het is toch geen ​nieuwemaan​ vandaag, en ook geen ​sabbat?’ ‘Laat me nu maar,’ zei ze. 24Ze zadelde de ezelin en zei tegen de knecht: ‘Drijf de ezelin zonder ophouden aan, tot ik zeg dat je halt kunt houden.’ 25Zo ging ze op ​weg​ naar ​Elisa, die op de Karmel verbleef. Toen de ​godsman​ haar zag aankomen, zei hij tegen zijn knecht Gechazi: ‘Kijk, daar heb je de vrouw uit Sunem. 26Ga haar vlug tegemoet en vraag hoe het met haar gaat, en met haar man en haar zoon.’ De vrouw antwoordde dat het goed ging, 27maar toen ze bij de ​godsman​ op de berg aankwam, greep ze zijn voeten vast. Gechazi liep op haar toe om haar weg te jagen, maar de ​godsman​ zei: ‘Laat haar maar, ze heeft verdriet. En ik wist daar niets van, de HEER heeft het voor mij verborgen gehouden.’ 28Toen zei de vrouw: ‘Heb ik u soms om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd dat u geen valse hoop moest wekken?’ 29Hierop zei ​Elisa​ tegen Gechazi: ‘Neem mijn staf en ga er zo snel mogelijk naartoe. Als je iemand tegenkomt, groet hem dan niet. Als iemand jou groet, zeg dan niets terug. Je moet mijn staf op de jongen leggen.’ 30Maar de moeder van de jongen zei: ‘Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, ik ga niet zonder u.’ Toen stond ​Elisa​ op en ging met haar mee. 31Gechazi was hun vooruitgegaan en had de staf op de jongen gelegd, maar die had geen teken van leven gegeven. Hij keerde terug en vertelde ​Elisa​ dat de jongen niet wakker was geworden. 32Toen ​Elisa​ zelf bij het ​huis​ aankwam, zag hij de jongen dood op zijn eigen ​bed​ liggen. 33Hij ging de kamer binnen en sloot de deur achter zich. Toen bad hij tot de HEER. 34Daarna liep hij naar het ​bed​ toe en ging boven op het ​kind​ liggen, met zijn mond op zijn mond, zijn ogen op zijn ogen en zijn handpalmen op zijn handpalmen. Zo bleef hij over het ​kind​ uitgestrekt liggen tot het lichaam weer warm werd. 35Toen kwam hij overeind, liep door de kamer heen en weer, en strekte zich nogmaals over het ​kind​ uit. Uiteindelijk niesde de jongen wel zeven keer, en opende zijn ogen. 36‘Roep de moeder,’ riep ​Elisa​ tegen Gechazi. Gechazi waarschuwde haar, en toen ze boven kwam zei ​Elisa: ‘U kunt uw zoon meenemen.’ 37De vrouw kwam de kamer binnen, viel aan ​Elisa’s voeten neer en boog diep voorover. Toen nam ze haar zoon op en ging de kamer uit.

Marcus 1: 29 - 39

29Toen ze uit de ​synagoge​ kwamen, gingen ze rechtstreeks naar het huis van ​Simon​ en ​Andreas, samen met ​Jakobus​ en ​Johannes. 30Simons schoonmoeder lag met ​koorts​ in ​bed, en ze spraken met ​Jezus​ over haar. 31Hij ging naar haar toe, pakte haar hand vast en hielp haar overeind. Toen verliet de ​koorts​ haar, en ze begon voor hen te zorgen.
32’s Avonds laat, toen de zon al was ondergegaan, brachten de mensen alle zieken en bezetenen naar hem toe; 33alle inwoners van de stad hadden zich bij de deur van het huis verzameld. 34Hij genas vele zieken van allerlei kwalen en hij dreef veel demonen uit, maar stond ze niet toe om iets te zeggen, want ze wisten wie hij was.
35Vroeg in de ochtend, toen het nog helemaal donker was, stond hij op, ging naar buiten en liep naar een eenzame plek om daar te ​bidden. 36Maar ​Simon​ en de anderen die bij hem waren, gingen hem vlug achterna, 37en toen ze hem gevonden hadden zeiden ze tegen hem: ‘Iedereen is naar u op zoek!’ 38Toen zei hij: ‘Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen hier in de omtrek, zodat ik ook daar het goede nieuws kan brengen. Daarvoor ben ik immers op ​weg​ gegaan.’
39In heel Galilea bracht hij het nieuws in de ​synagogen​ en dreef hij demonen uit.

(Nederlands bijbelgenootschap)